Bangkok, langs koningssteden,watervallen en bergvolken
Zelf autorijden is een prima manier om Thailand te ontdekken, zo ervoeren wij op een reis van Bangkok naar het noordelijke Chiang Mai. Het verkeer levert geen problemen op, net zomin als het vinden van een comfortabel en betaalbaar hotel. We toerden langs koningssteden, nationale parken en kleurrijke bergvolken.Thailand heeft zich in drie decennia ontwikkeld tot een volwaardige vakantiebestemming voor iedereen, van rugzaktoeristen tot overwinteraars. Er komen tegenwoordig ook veel individuele toeristen die hun eigen weg gaan met een huurauto. Vooral het gebied ten noorden van Bangkok leent zich hiervoor. Bangkok zullen we apart beschrijven in de Reisgids van september/oktober.
Wat zelf autorijden betreft hebben veel mensen wat koudwatervrees, zelfs reisorganisatie Vamonos raadt het af. Het chaotische verkeer, de kwaliteit van de wegen, de bewegwijzering en het links rijden zouden de grootste obstakels zijn. Onterecht is onze conclusie. De wegen zijn prima, met legio tankstations,.en met een automaat is links rijden een makkie. De bewegwijzering is ook goed, al is de westerse schrijfwijze van de plaatsnamen soms aan de kleine kant. Verder krijg je bij een georganiseerde autoreis een accurate routebeschrijving mee. Bovendien is er een navigatiesysteem dat redelijk goed werkt. Het verkeer oogt inderdaad wat chaotisch met de links en rechts inhalende brommers; spiegels goed gebruiken is het antwoord. Bovendien blijken Thaise chauffeurs flexibel, op de vrachtwagen- en buschauffeurs na. Zo houden ze bij een inhaalmanoeuvre van een tegenligger in en gaan uiterst links rijden.
Menigeen vliegt naar Chiang Mai of gaat met de nachttrein. Je wint inderdaad tijd maar mist een heleboel. In de grote laagvlakte, de rijstschuur van het land, ligt een handvol cultuursteden. Wij bezochten de toppers Ayutthaya en Sukothai, maar ook het minder bekende Sri Satchanalai, Lopburi en Kampaheng Phet met historische tempels, tempelruïnes en musea zijn de moeite waard. Na Sukothai neemt de natuur met verve de hoofdrol over: de weg slingert zich met duizenden bochten door de groenbeboste bergen. Fraaie panorama's, nationale parken, dorpjes van bergvolken en levendige stadjes zijn de attracties met de tweede stad van het land, Chiang Mai, als het kleurrijke en bruisende slotakkoord.
Vanaf de luchthaven ben je zo op de expressweg naar Ayutthaya. Al na een klein halfuurtje sta je voor de poort van het koninklijke paleis in het uitgestrekte stadje Bang Pa In. Binnen de poort ademt het paleis dankzij de beplanting en de waterpartijen eerder een park rust. Je zou er zo de koning tegen het lijf kunnen lopen. Met de gebouwen in koloniale, Chinese en Thaise stijl heeft het iets van een openluchtmuseum. In het verrassend functioneel ingerichte paleis blijkt de troon leeg en de tafel ongedekt. Helaas, de koning is er niet. Het pronkstuk is het door China geschonken Paleis van het Hemelse Licht met draken, gongs en veel lak werk. Het rijk van Ayutthaya was de voorloper van het huidige Thailand. Het kende een bloeiperiode van pakweg 1350 tot 1767 toen de stad vernietigd werd door de Birmezen. Vandaag de dag is het vooral een tempelstad met afbrokkelende tempelruïnes, levendige oude tempels en splinternieuwe godshuizen met glimmende Boeddhabeelden. Je kunt het best een fiets huren om de tien bezienswaardige exemplaren te bekijken. De oudste stammen uit de Khmerperiode en vertonen duidelijk overeenkomsten met de tempels van Angkor Wat in Cambodja. Kenmerkend zijn de torens met schubvormige daken. De Wat Ratburana en de Phra Mahathat zijn zwaar gehavend en de meeste Boeddhabeelden zijn er onthoofd. Het gaafst is de Si Sampet met drie stoepa's op een rij en bloeiende bomen aan de voet ervan. Onze favoriet is echter de Yai Chai Mongkol dankzij de gave Boeddhabeelden en de vele offerende gelovigen. De witte Phu Khao Tong met de streng ogende Boeddhabeelden is onmiskenbaar Birmees. De charme van een bezoek schuilt ook in het fietstochtje erheen over het platteland. Na alle tempels is het Nationaal Museum een must. Je vindt er een verzameling historische Boeddhabeelden vanaf de 8e eeuw en de eind jaren 50 opgegraven goudschat. Ook al heb je de tempels bij licht gezien, ga 's avonds terug of huur een tuktuk om je erlangs te laten rijden: ze zijn prachtig verlicht. De beste tijdstippen voor een bezoek zijn tegen de avond en 's morgens vroeg. Dan zijn de sfeer, het licht en de rust optimaal. Het leukste van het moderne Ayutthaya zijn de terrassen aan de druk bevaren rivier.
De ruïnes van Sukothai zijn een historisch park. Met name de centrale zone wordt gekenmerkt door waterlopen, bosschages, eilandjes en paden. De Wat Mahathat is een minitempelstad met tientallen gave Boeddhabeelden. Bezoek het park in de late namiddag of de vroege ochtend. Dan ben je vaak de enige bezoeker bij de Sri Sawai met de Khmertorens of de Trapang Ngoen met de lotusknopzuil en een fraaie 'lopende' Boeddha, en komt de serene sfeer het best tot uiting. Van de buitenzones sprak de noordelijke ons het meest aan met de enorme Boeddha (15 meter) van de door bos omgeven Wat Sri Chum. Iets verderop staat de oudste tempel in Khmerstijl. Voor de mooiste Boeddhabeelden moet je in het Ramkahm haeng museum zijn, al kan de setting niet op tegen die van de ruïnes. Bij de ingang van het park doet de reeks winkels en restaurantjes aan als een heuse plaats, maar het moderne Sukothai ligt 12 kilometer verderop. Het is daarom handig om een hotel bij het park te kiezen. Tip: eet 's avonds op een terras met uitzicht op de verlichte tempels.
Tot Tak is het nog vlak maar daarna gaat de weg bergop met veel bochten. In het dal van Lansang, een nationaal park, kun je diverse korte wandelingen naar watervallen maken. Die zijn bescheiden maar de dichtbeboste omgeving is prachtig. Even voorbij de afslag naar het Thaksinpark is aan de weg een kleurrijke markt waar bergvolken groente, koffie en fruit verkopen. In Mae Sot, op enkele kilometers van de grens, is Birma voel- en zichtbaar. Er zijn veel Birmese vluchtelingen, zoals de Karen, tempels in Birmese stijl met witte pagoden en streng ogende witte Boeddhabeelden. Mae Sot is authentiek met zijn levendige dagmarkt, maar verder is er weinig te zien. In weerwil van wat de Rough Guide beweert is de Rim Moeimarkt de beste plaats voor souvenirs, vooral voor houten Boeddhabeelden en jade. De markt had tot voor kort een soort wildwestimago maar zit nu in een keurige markthal. Tip: ga eten in het KhaoMao KhaoFang restaurant, iets buiten de stad. Je waant je onder de bomen en tussen de watervallen op de set van een junglefilm en verwacht elk moment een aap of Tarzan aan een liaan.
De weg, die deel uitmaakt van de zogenoemde Mae Hong Sonlus, wordt beschouwd als de mooiste autoroute van Thailand. In totaal rijd je zo'n 600 kilometer door het hoogste deel van het land, een uitloper van de Himalaya. Onderweg zijn er volop mooie uitzichten op dichtbeboste bergen en kloven en op valleien met groene rijstvelden, afgewisseld met bamboe en golfplaten afdakjes. De weg telt duizenden bochten; alleen al tussen Mae Hong Son en Chiang Mai zijn het er zo'n 2000. Je hoeft niet echt te zoeken naar een reden om te stoppen dankzij diverse nationale parken, watervallen, authentieke dorpjes van bergstammen en levendige verblijfplaatsen. Soms moet je dan een flink stuk van de route af zoals voor de prachtig gelegen, indrukwekkende Mae Surinwaterval, een zijsprong van 30 kilometer. Bijzonder is ook de kilometerslange nederzetting voorbij Mae Sot. Deze oogt dankzij de bamboe hutjes en de dichtbeboste heuvels idyllisch, maar in werkelijkheid is het een enorm vluchtelingenkamp.
Mae Sariang, Mae Hong Sot en Pai zijn aantrekkelijke verblijfplaatsen. Je vindt er goed en betaalbaar onderdak, volop restaurants en cafés, en reisbureautjes voor trektochten in de omgeving, raften en het bezoeken van dorpen van de bergstammen. Vanuit Mae Hong Son zijn uitstapjes naar de zogenoemde langnekdorpen populair: de vrouwen dragen er enorme ringen om de hals. Je kunt er ook goed zelf heen met de auto. Je betaalt een paar euro entree en mag dan fotograferen. Vrijwel alle vrouwen verkopen souvenirs. Een boottocht kost weliswaar een paar tientjes, maar de tocht op zich maakt het al de moeite waard. Er zijn ook authentiekere dorpen maar daarvoor moet je verder de jungle in en is een fourwheeldrive een voorwaarde.
Chiang Mai, de roos van het noorden, is overzichtelijk en het gaat er ontspannen aan toe vergeleken met Bangkok. Helaas mist het goed openbaar vervoer en ben je aangewezen op tuktuks. In Chiang Mai vind je veel souvenirs van zijde en houtsnijwerk, maar je kunt er net als in Bangkok ook goed maatkleding laten maken. Het oude centrum ligt binnen de deels gereconstrueerde muren en gracht en is opmerkelijk ruim. Je vindt er onder andere grote tempelcomplexen. In de oude stad liggen ook de leukste restaurants en hotels, al zijn die wel aan de prijs. De grote en wat goedkopere hotels en legio winkels liggen tussen de oude stad en de Ping rivier. Daar moetje ook zijn voor de Warorot dagmarkt en de avond bazaar. Mis de zondagmarkt op de dan autovrije Thanon Ratchdamnoen niet! Er zijn veel tempels in de stad maar de belangrijkste ligt op een heuvel 20 kilometer verderop: Wat Doi Suthep. Het is er altijd een drukte van belang, met veel kraampjes bij de ingang. Op het hoge terras heb je een zonnebril nodig vanwege het glimmende goud van de koepel en de Boeddhabeelden. De aanblik van geëmotioneerde diepgelovige ouderen is aandoenlijk. In de stad zelf spraken de Wat Phra Sing en Chedi Luang ons het meest aan. Aanraders voor de vroege middag zijn de interessante collecties van het Nationaal Museum en het Stadsmuseum, mede dankzij de airconditioning.




De Europeesche Hulplijn dag / nacht bereikbaar, bijna alle sporten standaard meeverzekerd !